Ik zie jou voorbijgaan, een zang van duizend vogels verkruimelt in de wind En weer blijf ik alleen, schuw als een hermelijn en zwakker dan een kind
Mijn hart zit met de doornen van de angst genageld aan de lentezon Terwijl ik met een bloem tussen mijn tanden genieten wilde aan de bron
Kijk eens hoe de meimaand alweer de groene lakens op het bruidsbed spreidt Wie plukt er in dat voorjaarsbed met mij de bloesem van de tederheid
Geplunderd en verwaaid doen wij dan na het spel het meeste denken aan Twee bomen, die na een orkaan nahuiverend in 't warme zonlicht staan
En tot de dageraad blijven wij samen liggen onder 't nachtelijk blauw Languit en loom op lente's groene lakens, vochtig van de liefdesdauw
Mijn vingers zijn voor het strelen gemaakt Wie biedt mij z'n zachte huid Ik weet al te lang hoe eenzaamheid smaakt Wie komt en neemt mij als buit Wie komt en neemt mij als bruid