Hoe schoon schiet daar de bliksem neer! Hoe statig rolt de donder! De wolken pakken saam Of drijven heen en weer; Terwijl ik in dat al, geduchte Hemelheer! Uw Majesteit bewonder
Nu is't voorbij: een frissche lucht Omringt mij, waar ik ga En doet de vogels zingen
Ik zie een nieuwen glans Op boom en veld en vrugt; Maar, eeuwige God! Gij blijft geducht Zelfs in uw zegeningen
Wat zie ik, Caatje! Hoe, gij beeft? Ach, wilt daar nooit voor vreezen! 't Is een geschenk, dat God ons geeft En daarom, lieve meid Moest Caatje dankbaar wezen