Mager paardje, jaag maar De steppe is eindeloos breed De vliegen steken je flanken De stenen je zere hoeven Je mag nooit stilstaan en drinken En de zon is zo hard en zo heet
Smal scheepje, vaar maar Eindeloos is de zee Al trillen je moede masten Al heb je te zware lasten Toch mag je in geen haven rusten En aan 't eind van de reis moet je ank'ren Ergens ver buiten de ree
Arm hartje, klaag maar De liefde is eindeloos wreed Je krijgt haar niet en haat ze Of je krijgt haar wel en dan gaat ze Toch later weer weg en verlaat ze Het hartje dat haar beminde; Nooit komt er een eind aan het leed